Oorkwal
Aurelia aurita

|
Oorkwal
Aurelia aurita
Schijfkwal. Mariene soort. Glasachtig doorschijnend gelatineus lichaam. Soms rozeachtig (vrouwtjes). De voortplantingsorganen zijn de vier of vijf 'oren' waaraan de kwal de naam te danken heeft. Deze zijn zichtbaar door de doorzichtige hoed en hebben een betje de vorm van een klavertje vier (of vijf). Een enkele keer zijn er meer: tot wel negen. Doorsnede hoed ca 25 (tot 40) cm. langs de rand zitten veel korte tentakels. Onder de hoed een ronde mondopening en vier geplooide armen. Deze kwal steekt niet merkbaar voor de mens.
Item 1 of 0
| Oorkwal | Aurelia aurita | | Schijfkwal. Mariene soort. Glasachtig doorschijnend gelatineus lichaam. Soms rozeachtig (vrouwtjes). De voortplantingsorganen zijn de vier of vijf 'oren' waaraan de kwal de naam te danken heeft. Deze zijn zichtbaar door de doorzichtige hoed en hebben een betje de vorm van een klavertje vier (of vijf). Een enkele keer zijn er meer: tot wel negen. Doorsnede hoed ca 25 (tot 40) cm. langs de rand zitten veel korte tentakels. Onder de hoed een ronde mondopening en vier geplooide armen. Deze kwal steekt niet merkbaar voor de mens.
| Afmetingen: 10 tot 40 cm in doorsnede.
Kleur: Doorschijnend, gelatineus; glasachtig wit. De 'oren' in de hoed (de geslachtsorganen) van mannelijke dieren zijn witachtig. Vrouwelijke dieren hebben roze geslachtsorganen.
Vorm/Uiterlijk: Ronde, matig stevige, bolle hoed. Plat, halfrond van opzij gezien. Het lichaam heeft een zachte, gelatineachtige structuur. Meestal 4 voortplantingsorganen ('oren') die in de hoed te zien zijn. Een enkele keer meer dan vier, tot wel negen. Langs de rand van de hoed staan korte tentakels. Onder de hoed vier geplooide armen, in het midden daarvan onder de hoed zit een ronde mondopening. Deze kwal steekt niet merkbaar voor de mens: de toxinen zijn mild en de kracht waarmee de netelcellen vuren is gewoonlijk niet sterk genoeg om door de huid te komen.
| Zie bij Seizoenspatronen.
| De Oorkwal stond lang bekend als kosmopoliet. Hoogstwaarschijnlijk echter is de soort endemisch voor het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, inclusief de Oostzee (waarvandaan Linnaeus de soort ooit voor de wetenschap beschreef). Tot het verspreidingsgebied worden naast de Atlantische Oceaan, ook de Stille Oceaan en de Noordelijke IJszee gerekend. De dieren komen zowel voor langs de oostkust van Noord-Amerika en bij Californië, als in Japan. Ze worden vooral aangetroffen in kustgebieden, zoals estuaria, fjorden en baaien. Recent is, o.a. uit DNA-onderzoek, gebleken dat er wereldwijd diverse andere soorten oorkwallen zijn. Ook in ons land is inmiddels ten minste één andere (exotische) soort aanwezig. Deze heeft heeft en ander verspreidingspatroon en treedt later in het jaar op. De kwallen die masaal in eind juli 2020 in de grachten van Middelburg en langs de Geersdijksekaai in het Veerse Meer aanwezig waren, behoren hoogstwaarschijnlijk tot deze Pacifische oorkwal.
| Kwallen drijven vaak in grote zwermen in zee. Door een samentrekkende beweging kunnen ze echter min of meer actief zwemmen. Met behulp van met netelcellen bezette tentakels vangen ze plankton, kleine kreeftachtigen en zelfs visjes. De levenscyclus van de oorkwal bestaat uit twee delen; een poliepenstadium en het medusastadium. De laatste is de volwassen kwal, ook wel schijfkwal genoemd. De oorkwal kan zich geslachtelijk (via het medusastadium) en ongeslachtelijk (via het poliepenstadium) voortplanten. Geslachtelijke voortplanting is de meest voorkomende manier. Mannelijke (schijf-)kwallen laten hun zaadcellen vrij in de waterkolom. De vrouwtjes vangen deze op. Binnen de vrouwelijke kwal ontstaan uit de bevruchte eitjes organismen die zich aan de bodem van de zee vastzetten en poliepjes vormen. Deze poliepjes lijken op boompjes die op de bodem groeien en een stapeltje bladachtige gestapelde structuren vormen. De bovenste (eerste) groeien steeds uit tot kleine kwalletjs die zodra er de juiste temperatuur in de zee is, stuk vor stuk loslaten. Deze nieuwe kwalletjes groeien binnen een half jaar uit tot een volwassen kwal.
| Uit onze kustwateren worden vier kwallensoorten veel gemeld. De patronen in voorkomen daarvan verlopen niet synchroon. Als eerste in het jaar verschijnt de Oorkwal. Vervolgens de Blauwe haarkwal, afhankelijk van het gebied iets later of vrijwel gelijktijdig. Daarna komt de Kompaskwal, gevolgd door de Zeepaddenstoel. In deze volgorde vertonen ze ook een piek en verdwijnen ze weer. Onderzoek van duikwaarnemingen in de Oosterschelde toonde aan dat het moment waarop deze soorten opkomen, een piek vertonen en weer verdwijnen, de laatste jaren drie tot zeven weken eerder valt dan een kwart eeuw geleden. Een wat verstorende factor daarbij is inmiddels het voorkomen van een exotische Oorkwal, de Pacifische oorkwal Aurelia coerulea, die een ander patroon vertoont en ook aan het eind van de zomer kan opkomen. In het veld is de Pacifische oorkwal niet te onderscheiden van de gewone oorkwal.
| 135306 | Nederland | Zoutwater | MOO |
Oorkwal poliep
Aurelia aurita

|
Oorkwal poliep
Aurelia aurita
De poliep van de Oorkwal is een wit trechtervormig buisje. Aan de onderkant is het buisjes smal en aan de bovenkant verbreed, met op de rand lange tentakels. De dieren hangen vaak onderste boven aan de onderkant van overhellende rots. Omdat ze vaak in grote groepen bij elkaar worden gevonden spreken duiikers van 'witte veldjes'.
Item 1 of 0
| Oorkwal poliep | Aurelia aurita | | De poliep van de Oorkwal is een wit trechtervormig buisje. Aan de onderkant is het buisjes smal en aan de bovenkant verbreed, met op de rand lange tentakels. De dieren hangen vaak onderste boven aan de onderkant van overhellende rots. Omdat ze vaak in grote groepen bij elkaar worden gevonden spreken duiikers van 'witte veldjes'. | Afmetingen: De poliep van de Oorkwal is een trechtervormig buisje tot 2 centimeter hoog. Het voetje is niet meer dan twee milimeter groot terwijl het breede gedeelte van het trompetje zo'n vijf milimeter groot kan worden. De tentakels kunnen tot ruim een centimeter lang worden.
Kleur: De popiepen zijn altijd volledig wit. VoortplantingVan april tot juni en afhankelijk van de zeewatertemperatuur snoeren de poliepen kleine kwallen (ephyra's) af. Dit proces wordt strobulatie genoemd. In drie à vier maanden ontwikkelen de afgesnoerde kwalletjes zich tot volwassen exemplaren. | | Poliepen van de Oorkwal lijken een voorkeur te hebben voor mondingen van rivieren en kunnen verder op alle plaatsen langs onze kust worden waargenomen waar weinig stroming is. Het is opvallend dat poliepen van de Oorkwal in de Grevelingen zeer veel worden waargenomen in tegenstelling tot de volwassen dieren. In de Oosterschelde is dat beeld net anders om. Daar zijn Oorkwallen in de periode april tot juni in de meeste jaren zeer talrijk, terwijl de poliepen relatief weinig worden opgemerkt. | De poliepen van de Oorkwal worden vooral aangetroffen op plaatsen met een geringe waterstroming, meestal aan de onderzijde van overhangende stenen. | | 135306 | Nederland | Zoutwater | MOO |